De volgende onderwerpen komen hierna aan bod:
- Piekvereiste geldt niet bij vormen onderhoudsvoorziening
- Procedure bij rechter door woningcorporatie over renteaftrekbeperking ATAD
- Nieuwe box 3-wetgeving – een update
- Onzakelijkheidsvermoeden van artikel 14a in strijd met fusierichtlijn
Piekvereiste geldt niet bij vormen onderhoudsvoorziening
Een woningcorporatie met circa 33.000 verhuureenheden, heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 een onderhoudsvoorziening van € 142,7 miljoen opgenomen. Deze voorziening is gebaseerd op planmatig (groot) onderhoud en extra onderhoud bij mutaties, zoals vastgelegd in de door haar gebruikte technische complexanalyses (TCA) en onderhoudsprognoses.
Tijdens een boekenonderzoek ontstond tussen belanghebbende en de inspecteur een principieel geschil over de voorwaarden voor het vormen van een fiscaal aftrekbare onderhoudsvoorziening. Om uitsluitend de rechtsvragen aan de rechter voor te leggen, sloten partijen in 2020 een vaststellingsovereenkomst.
Kern van het geschil in hoger beroep
Het hof beantwoorde de volgende twee vragen:
- Geldt bij het vormen van een onderhoudsvoorziening dat de toekomstige onderhoudskosten fors hoger zijn dan de gemiddelde jaarlijkse omvang van de onderhoudsuitgaven (het piekvereiste)?
- Moet bij de berekening van de voorziening worden uitgegaan van het criterium “groot onderhoud” volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 augustus 1980 (BNB 1981/1)?
Overwegingen van het hof
- Geen piekvereiste (vraag I)
Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat een onderhoudsvoorziening alleen kan worden gevormd wanneer toekomstige onderhoudsuitgaven in een bepaald jaar substantieel hoger zijn dan gemiddeld (“piekvereiste”).
Belangrijkste argumenten:
Op grond van het baksteenarrest (HR 26 augustus 1998) mag een voorziening worden gevormd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- Die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden, die zich voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan (oorsprongvereiste);
- Die uitgaven ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend (toerekeningsvereiste);
- Ter zake van die uitgaven een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen (redelijke mate van zekerheid).
Het Hof oordeelt dat aan deze eisen voor het vormen van een onderhoudsvoorziening wordt voldaan. Het Baksteenarrest biedt geen aanwijzing voor het stellen van een piekvereiste.
Het door de inspecteur aangehaalde arrest HR 20 augustus 1980, BNB 1981/1 ziet op de egalisatiereserve, niet op onderhoudsvoorzieningen. De egalisatiereserve is naar haar aard niet vergelijkbaar:
- een kostenegalisatiereserve (KER) betreft eigen vermogen en is wettelijk geregeld, het betreft een winstbestemmende gelijkmatige verdeling van kosten en lasten.
- een voorziening betreft fiscaalrechtelijk vreemd vermogen en volgt uit goedkoopmansgebruik. Is gericht op het toedelen van (fiscaal aftrekbare en dus winstbepalende) toekomstige uitgaven aan de jaren waarin die uitgaven volgens goedkoopmansgebruik thuishoren (matchingsbeginsel).
Ook andere door de inspecteur genoemde arresten, bieden geen aanknopingspunt dat het piekvereiste geldt voor het vormen van een onderhoudsvoorziening.
- Geen verplicht groot‑onderhoudscriterium uit BNB 1981/1 (vraag II)
Het hof verwerpt eveneens het standpunt van de inspecteur dat alleen kosten van “niet jaarlijks voorkomend onderhoud, mits van enige betekenis” in een onderhoudsvoorziening mogen worden opgenomen.
Het criterium uit BNB 1981/1 is uitsluitend relevant voor de egalisatiereserve.
Voor de onderhoudsvoorziening geldt uitsluitend toetsing aan de criteria die geformuleerd zijn in het Baksteenarrest.
Conclusie en beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat voor het vormen van een onderhoudsvoorziening er geen sprake hoeft te zijn van een piek in de onderhoudskosten. De rechter geeft hiermee een antwoord op de vragen die zijn ontstaan rond het vormen van een onderhoudsvoorziening door woningcorporaties. Door de Belastingdienst en in de vakliteratuur werd het standpunt ingenomen dat om te doteren aan de voorziening groot onderhoud aan het piekvereiste moet zijn voldaan. Met deze uitspraak van het Hof die de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigde, denk ik dat er duidelijkheid is gekomen: geen voorwaarde is dat aan het piekvereiste moet zijn voldaan om aan de onderhoudsvoorziening te doteren. Het is nog afwachten of de Belastingdienst nog beroep in cassatie gaat aantekenen. Omdat de procedure bij de rechter was ingestoken om een antwoord op rechtsvragen te krijgen, is dat nog mogelijk.
Voor woningcorporaties en andere vastgoedbeleggers in de winstsfeer geldt dat die met deze uitspraak zekerheid hebben over de mogelijkheid om een voorziening groot onderhoud te vormen. Voor zover er nog geen onderhoudsvoorziening is gevormd, kan overwogen worden om alsnog een voorziening groot onderhoud te vormen. Op die manier kunnen opbrengsten en kosten beter worden toegerekend worden aan de periode waarop die betrekking hebben.
Procedure bij rechter door woningcorporatie over renteaftrekbeperking ATAD
De Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot heeft een juridische procedure aangespannen tegen de Belastingdienst vanwege de toepassing van een renteaftrekbeperking uit de Europese Anti Tax Avoidance Directive (ATAD). Deze richtlijn, die sinds 2019 is opgenomen in de Nederlandse vennootschapsbelasting (Vpb), beperkt de aftrek van rente op leningen en leidt volgens Stadgenoot tot miljoenen euro’s extra belastingdruk per jaar. De corporatie, een van de eerste in Nederland die deze stap zet, argumenteert dat de regelgeving niet bedoeld is voor non-profitorganisaties zoals woningcorporaties, die geen winstoogmerk hebben en zich richten op sociale huisvesting.
Achtergrond en redenen
Woningcorporaties betalen sinds 2008 Vpb. Op grond van de ATAD-richtlijn is de rente die een woningcorporatie betaalt in aftrek beperkt. De ATAD-richtlijn is primair gericht op het voorkomen van belastingontwijking door internationale ondernemingen met aandeelhouders, maar treft ook corporaties hard omdat zij veel lenen voor nieuwbouw en verduurzaming. Stadgenoot heeft de afgelopen zeven jaar circa 290 miljoen euro aan rente niet kunnen aftrekken, en verwacht voor de komende tien jaar nog eens 640 miljoen euro. Dit resulteert in een jaarlijkse extra belasting van ongeveer 16 miljoen euro, wat investeringen in onderhoud, nieuwbouw en energiebesparende maatregelen belemmert.
De procedure
Na afwijzing van een bezwaarschrift in januari dit jaar, heeft Stadgenoot beroep aangetekend bij de bestuursrechter. De zaak kan jaren duren en mogelijk tot aan het Europese Hof van Justitie worden gevoerd. Ongeveer 140 corporaties hebben vergelijkbare bezwaar- en beroepsschriften en ingediend, en brancheorganisatie Aedes schat de sectorbrede extra belasting op meer dan 770 miljoen euro per jaar, oplopend tot 1,5 miljard in 2029.
Als de ATAD richtlijn niet van toepassing is, betekent dat woningcorporaties minder vennootschapsbelasting betalen en daardoor meer geld overhouden om te investeren in nieuwe huisvesting.
Belangrijk is om tijdig bezwaar aan te tekenen tegen opgelegde definitieve aanslagen vennootschapsbelasting om geen rechten te verliezen.
Deze procedure is niet alleen van belang voor alle woningcorporaties, de uitkomst kan mogelijk ook gevolgen hebben voor andere vennootschapsbelastingplichtige woningverhuurders waarvan de betaalde rente op leningen in aftrek is beperkt.
Nieuwe box 3-wetgeving – een update
De nieuwe box 3 wetgeving is inmiddels aangenomen in de Tweede Kamer. Even leek het erop dat naar aanleiding van uitlatingen van de Minister van Financiën Eelco Heinen de box 3 wetgeving zou worden aangepast. Inmiddels is duidelijk dat als er al aanpassingen worden gedaan, die pas vanaf 2029 zullen worden ingevoerd. De nieuwe box 3 wetgeving zoals gepubliceerd wordt de nieuwe realiteit. Met name de vermogensaanwasbelasting leidt ertoe dat er inkomstenbelasting wordt geheven over nog niet gerealiseerde waardestijging. Onroerend goed en aandelen in startups zijn hiervan gevrijwaard, hier hoeft pas afgerekend te worden nadat het onroerend goed of de aandelen verkocht zijn.
Voor bepaalde niet liquide belangen in besloten vennootschappen kleiner dan 5% die niet als startup kwalificeren pakt de nieuwe wetgeving niet goed uit. Dat betekent jaarlijks de aandelen waarderen en terwijl er wellicht geen liquiditeiten zijn, wel afrekenen in box 3 over de waardeaangroei. Dit speelt bijvoorbeeld bij werknemersparticipaties. Eventueel kan voordat de nieuwe wetgeving in werking treedt nagedacht worden of het mogelijk is om het belang dat in box 3 zit over te laten gaan naar box 2 via het omvormen van de aandelen, zodat een bijzondere soort aandelen ontstaat.
In het door D66, VVD en CDA op 30 januari 2026 gepresenteerde coalitieakkoord ’Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland’ staat dat het nieuwe box 3-stelsel wordt doorontwikkeld naar een stelsel op basis van een volledige vermogenswinstbelasting. De achtergrond hiervan is dat de coalitie lange termijnbeleggingen wil stimuleren. Hiervoor zal nog wel dekking gevonden moeten worden in de begroting.
Onzakelijkheidsvermoeden van artikel 14a in strijd met fusierichtlijn
Recent heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een procedure een uitspraak gedaan over het bewijsvermoeden van artikel 14a, lid 6 Wet VPb 1969. Artikel 14a regelt dat een juridische splitsing van een besloten vennootschap zonder fiscaal afrekenen in de vennootschapsbelasting kan plaatsvinden mits de splitsing een zakelijk motief heeft. Een zakelijk motief wordt niet aanwezig geacht als de aandelen binnen drie jaar na de splitsing verkocht worden, tenzij de belastingplichtige het zakelijke motief aannemelijk maakt.
Belanghebbende, een Nederlandse uitvaartverzekeringsmaatschappij, maakte deel uit van een verzekeringsgroep met complexe herverzekeringsstructuren en lopende fiscale geschillen. In 2017–2018 werd gewerkt aan een verkoop van de onderneming van belanghebbende. Hiervoor werd gekozen voor een afsplitsing naar een nieuwe vennootschap, gevolgd door een verkoop van het bij de afsplitsing verkregen aandeel aan een derde. Deze verkoop vond binnen drie jaar plaats.
In cassatie ging het om de volgende vraag. Is het wettelijke bewijsvermoeden uit art. 14a, lid 6, laatste volzin, dat zakelijke overwegingen ontbreken bij vervreemding binnen drie jaar, verenigbaar met de Fusierichtlijn (Richtlijn 2009/133/EG), met name art. 15?
Art. 15 Fusierichtlijn staat geen algemeen vermoeden van misbruik toe.
Lidstaten mogen alleen een vermoeden toepassen als het ontbreken van zakelijke overwegingen blijkt, en niet louter omdat zich een standaardfeit (zoals een verkoop binnen drie jaar) voordoet.
De inspecteur moet ten minste een begin van bewijs leveren dat:
- geen zakelijke overwegingen aanwezig zijn, of
- aanwijzingen voor belastingontwijking bestaan.
Het Nederlandse bewijsvermoeden gaat verder:
- het geldt automatisch, en
- zonder dat de fiscus enige aanwijzing hoeft te geven.
→ Dit is onverenigbaar met de Fusierichtlijn.
→ Het bewijsvermoeden moet buiten toepassing blijven.
- De HR bevestigt dat zowel het einddoel als de keuze van de weg (splitsing versus activa-passiva-transactie) zakelijk moeten zijn.
- Aandeelhoudersmotieven (bijvoorbeeld wens tot verkoop) kunnen wel zakelijke overwegingen opleveren.
- Na verwijzing moet opnieuw worden onderzocht of er voldoende zakelijke motieven waren.
Deze uitspraak is belangrijk voor de praktijk omdat er meer fiscale reorganisatiefaciliteiten zijn om zonder belastingheffing te reorganiseren die een vergelijkbare tegenbewijsregeling kennen. Dus als binnen een termijn van drie jaar aandelen verkocht worden, wordt de bewijslast automatisch bij de belastingplichtige neergelegd om aan te tonen dat er zakelijke motieven zijn voor de eerder uitgevoerde reorganisatie of dat de verkoop van de aandelen geen vooropgezet plan is geweest. Een met de splitsingsfaciliteit van artikel 14a Wet Vpb 1969 vergelijkbare faciliteiten zijn: de bedrijfsfusie van artikel 14 Wet VPB 1969 maar ook de juridische splitsingsfaciliteit uit de overdrachtsbelasting.
Als u vragen heeft of van gedachte wil wisselen over bovenstaande, neem dan gerust contact met ons op: Ewoud de Ruiter 030 – 687 0 383.
mr. Ewoud de Ruiter – (1) Ewoud de Ruiter ✅ TAX | LinkedIn
