Tips & Actueel juni 2025

Tips & Actueel juni 2025

Samenvatting van het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

In mei 2025 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 gepubliceerd. Dit wetsvoorstel is bedoeld om de Wet inkomstenbelasting 2001 aan te passen om in box 3 belasting te heffen over het werkelijke rendement uit sparen en beleggen, in plaats van het huidige forfaitaire systeem.

Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste punten:

  1. Voorgestelde wetgeving

Hoofdregel: Vermogensaanwasbelasting

Belasting wordt geheven over reguliere voordelen (zoals rente, dividend, huur) en zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardeontwikkelingen (koerswinsten/-verliezen) van vermogensbestanddelen, minus aftrekbare kosten.

Gerealiseerde waardeontwikkelingen doen zich bijvoorbeeld voor bij verkoop. Ongerealiseerde waardeontwikkelingen doen zich voor als een vermogensbestanddeel in waarde is gestegen of gedaald, maar het vermogensbestanddeel nog niet is verkocht.

Vermogensaanwas wordt jaarlijks bepaald door het verschil in waarde van bezittingen en schulden tussen begin en eind van het jaar, gecorrigeerd voor stortingen en onttrekkingen.

Uitzondering: Vermogenswinstbelasting (onroerende zaken en aandelen in start ups)

Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordt waardeontwikkeling pas belast bij realisatie (bijv. verkoop).

Reguliere voordelen uit onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen (zoals huur of dividend) worden wel jaarlijks belast.

Onroerende zaken: Economische huurwaarde van onroerende zaken (bijv. tweede woning) wordt belast als voordeel uit eigen gebruik, gebaseerd op een vastgoedbijtelling. De grondslag om de vastgoedbijtelling te bepalen is de WOZ-waarde. In het wetsvoorstel wordt uitgegaan van een vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde.

Gegevensverstrekking: Ketenpartners (zoals banken) leveren gegevens voor vooraf ingevulde aangiftes, wat de administratieve last moet verlichten.

Direct rendement onroerende zaken

Bij onroerende zaken worden drie categorieën onderscheiden:

  1. Gehele jaar verhuur (minimaal 90% van het jaar verhuurd): belastingheffing over huuropbrengsten.
  2. Gehele jaar niet verhuur: belastingheffing over vastgoedbijtelling op grond van forfait.
  • Gemengd gebruik: combinatie van verhuur (minder dan 90% per jaar) en van niet-verhuur. Hier wordt belast de hoogste van de twee: huuropbrengst of de vastgoedbijtelling.

Voor onroerende zaken die het gehele jaar in aanbouw zijn wordt de vastgoedbijtelling op nul gezet. Als een onroerende zaak een gedeelte van het jaar in aanbouw is, wordt de vastgoedbijtelling tijdsgelang berekend over de periode waarin de onroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is.

Samenvattend ziet dat er als volgt uit[1]:

Indirect rendement onroerende zaken

De belastingheffing over het indirecte rendement van onroerende zaken is voor alle drie de hiervoor genoemde categorieën hetzelfde. Het indirecte rendement wordt in de belastingheffing betrokken bij vervreemding (verkoop) van de onroerende zaak. Andere vormen van het realiseren van het indirecte rendement (realisatie waardeontwikkeling) zijn: het tenietgaan van de onroerende zaak, het schenken van de onroerende zaak, het aangaan van een (al dan niet beperkte) gemeenschap van goederen (trouwen), scheiden, emigratie en overlijden van de belastingplichtige.

Er is in de wet geen mogelijkheid opgenomen om de winst behaald bij de verkoop van een onroerende zaak door te schuiven naar de aanschaf van een vervangende investering in een onroerende zaak.

Waarde per 1 januari 2028 van belang

Per 1 januari 2028 gaat de nieuwe belastingwetgeving in dat betekent dat de onroerende zaken per die datum gewaardeerd moeten worden om de fiscale kostprijs te bepalen (‘opgeofferd bedrag’). Deze wordt voor woningen bepaald op basis van de WOZ-waarde per 1 januari 2028 (WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029). Voor huurwoningen waar de huurder recht heeft op huurbescherming geldt de leegwaarderatio (deze kennen we nu ook al om de waarde in box 3 te bepalen). Er kan dus belang bij zijn om de waarde volgens de WOZ-beschikking 2029 zo hoog mogelijk te laten vaststellen.

Voor alle niet-woningen ongeacht of ze verhuurd zijn of niet, geldt de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2028 (wordt in principe via taxatie vastgesteld).

Startende ondernemingen

Waardeontwikkeling van aandelen/winstbewijzen wordt belast bij realisatie, zoals verkoop of einde van de startende fase. Het gaat om aandelenbelangen kleiner dan 5% in het kapitaal van de vennootschap.

Roerende zaken voor eigen gebruik zoals auto’s, caravans en boten blijven net als in het huidige box 3-stelsel buiten de belastingheffing.

 

Verzekeringsproducten

Specifieke regels voor levensverzekeringen, met een overgangsregeling tot 2030 om belaste rentebestanddelen in box 1 of box 3 te regelen.

Kapitaalverzekeringen afgesloten vóór 2001

Voor kapitaalverzekeringen afgesloten vóór 2001 geldt nu onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling in box 3. Dit gaat veranderen, het gaat echter te ver om in deze notitie op die veranderingen in te gaan.

Vorderingen en schulden

Rente op schulden is aftrekbaar als negatief inkomen; een schuldendrempel vervalt omdat rentedragende schulden relevant zijn voor de heffing.

Vorderingen en schulden moeten gewaardeerd worden op basis van de waarde in het economische verkeer. Dat kan betekenen dat als de rente gedurende een bepaalde periode vast staat en de marktrente schommelt de waarde van de vordering of de schuld van jaar tot jaar kan wijzigen.

Als de marktrente stijgt zal de waarde van een vordering dalen als de lage rente op die vordering langdurig vaststaat. Om e.e.a. administratief eenvoudig te houden wordt voorgesteld om de leningen tussen natuurlijke personen onderling op nominale waarde te waarderen. Een lening van de eigen b.v. zal wel jaarlijks gewaardeerd moeten worden.

Er komt een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling voor vorderingen die worden kwijtgescholden voor financieel onvolwaardige vorderingen op schuldenaren.

Verkrijgingen krachtens erfrecht

Vorderingen op de langstlevende ouder op grond van het wettelijke erfrecht of testament, worden in het huidige box 3-stelsel niet in aanmerking genomen. Dat blijft zo onder de nieuwe regeling.

Overige vrijstellingen

In het huidige box 3-stelsel zijn een aantal vrijstellingen opgenomen. Twee van die vrijstellingen verdwijnen: die van de groene beleggingen en de vrijstelling van kortlopende termijnen.

Aftrekbare kosten

Door een vorm van regulering waarbij gedefinieerd wordt welke kosten wel en welke kosten niet aftrekbaar zijn, is het stelsel voor de burger duidelijker en voor de Belastingdienst beter uitvoerbaar.

Het uitgangspunt is dat uitsluitend kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen, in aftrek mogen komen. Dit zijn bijvoorbeeld onderhoudskosten of beheerkosten. De verbeteringskosten en de kosten die worden gemaakt ter verkrijging van een bezitting, bijvoorbeeld transactiekosten voor het aankopen en verkopen van beleggingen, worden in het vermogensaanwasregime anders behandeld dan in het vermogenswinstregime. Bij de vermogensaanwasbelasting worden deze kosten als storting in aanmerking genomen. Bij de vermogenswinstbelasting wordt de verkrijgingsprijs met deze kosten verhoogd, waardoor de kosten op het moment van verkoop bij het bepalen van het vervreemdingsvoordeel worden afgetrokken van de verkoopprijs. De kosten van betaalde rente voor schulden die in box 3 vallen, worden gezien als negatief inkomen in het vermogensaanwasregime.

Uitgaven met een gemengd karakter vallen niet onder kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen. Met een gemengd karakter wordt hierbij bedoeld: kosten die niet uitsluitend betrekking hebben op de reguliere voordelen, maar waarin ook een persoonlijke component zit besloten. Hierbij kan gedacht worden aan een krantenabonnement waarmee men ook op de hoogte kan blijven van koersontwikkelingen of kosten voor een bestelbusje dat voor een beleggingspand maar ook voor persoonlijke doeleinden kan worden gebruikt. Kosten worden dus niet gesplitst in een aftrekbaar deel dat betrekking heeft op box 3 en een niet-aftrekbaar deel dat ziet op persoonlijke doeleinden.

Sommige kosten zullen op grond van de wet niet aftrekbaar zijn. Denk onder andere aan kosten voor congressen, telefoonabonnementen en literatuur.

Wanneer wordt belasting geheven?

Voor reguliere voordelen geldt dat ze belast zijn op het moment dat de belastingplichtige de beschikkingsmacht erover krijgt (kasstelsel). Dat is het geval als de voordelen worden ontvangen, worden verrekend, ter beschikking worden gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar of inbaar zijn geworden. Reguliere voordelen die betrekking hebben op een periode van langer dan één jaar of een tijdvak langer dan zes maanden voor het begin van het kalenderjaar is aangevangen, worden toegerekend aan het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.

Heffingsvrij resultaat

Onder het huidige box 3-stelsel wordt gewerkt met een bepaald heffingsvrij vermogen. Onder het nieuwe stelsel wordt uitgegaan van een heffingsvrij resultaat wat op € 1.800 wordt gezet.

Verliesverrekening

Als in een jaar een verlies ontstaat (bijvoorbeeld door koersdaling van effecten) dan is dat met toekomstige box 3 inkomsten verrekenbaar (carry forward). Verliesverrekening is niet beperkt tot een aantal jaren. Er is dus geen terugwenteling naar een voorgaand jaar of voorgaande jaren mogelijk (carry back). Een box 3 verlies kan niet verrekend worden met inkomsten uit box 1 of box 2.

Als het verlies in een jaar niet hoger is dan € 500, wordt dit niet vastgesteld om te voorkomen dat belastingplichtigen daarvoor aangifte moeten doen.

Belastingtarief

Voor box 3 wordt een belastingtarief van 36% voorgesteld.

  1. Conclusie

Het wetsvoorstel introduceert een systeem dat belasting heft over het werkelijke rendement in plaats van een forfaitair rendement. De box 3 wetgeving wordt er niet eenvoudiger op. Van de belastingplichtige wordt op administratief gebied veel meer gevraagd.

Als de nieuwe wetgeving wordt aangenomen is het van belang om tijdig te anticiperen, hierbij vijf tips:

  1. Probeer de waarde van het onroerend goed per 1 januari 2028 zo hoog mogelijk te krijgen
  2. Stel onderhoud uit voor zover kosten van onderhoud van onroerend goed na 1 januari 2028 vallen, kunnen deze in aftrek worden gebracht op het resultaat wat belast is in box 3.
  3. Voor zover er na 1 januari 2028 onderhoud/verbeteringen wordt gepleegd waarvan de kosten geactiveerd moeten worden, verdient het de voorkeur om dat uit te stellen tot na 1 januari 2028 zodat de kostprijs van het onroerend goed verhoogd wordt.
  4. Voor nieuwe investeringen in onroerende zaken is het van belang om na te gaan of dat in box 3 moet gebeuren dan wel dat via een besloten vennootschap te doen, waardoor de fiscale winstbepalingsregels in de besloten vennootschap kunnen worden toegepast. Via de herinvesteringsreserve, kunnen behaalde winsten op onroerend goed onder bepaalde voorwaarden worden doorgeschoven naar vervangende investeringen.
  5. Als u overweegt om te emigreren, kan dat wellicht het beste voor 1 januari 2028 gebeuren, zodat niet afgerekend hoeft te worden over na 1 januari 2028 ontstane waardestijgingen.

Met het vallen van het kabinet moeten we afwachten of de behandeling en het vervolgens aannemen van deze wetgeving wordt doorgezet.

[1] Bron: Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het belasten van het werkelijk

rendement uit sparen en beleggen (Wet werkelijk rendement box 3), Memorie van toelichting

Indien u naar aanleiding van een van de hiervoor genoemde onderwerpen vragen hebt, vernemen wij dat graag.